Lezione di pronuncia Flashcards Quiz di vocabolario Tris Memory Quiz di ascolto

Olandese :: Lezione 44 Viaggiare: Dove stai andando?

Vocabolario

Dove sei diretto?
Waar ga je naartoe?
Quanti bagagli hai?
Hoeveel tassen heb je?
Vado in vacanza
Ik ga op vakantie
A quale terminal devi andare?
Welke vertrekhal moet je naartoe?
Vado in viaggio d’affari
Ik ga op zakenreis
Vorrei un posto lungo il corridoio
Ik zou graag een gangpadstoel willen hebben
Vorrei un posto vicino al finestrino
Ik wil een stoel bij het raam hebben alstublieft
Perché l’aereo è in ritardo?
Waarom heeft het vliegtuig vertraging?
Allacciare la cintura di sicurezza
Doe uw veiligheidsgordel om
Cerco il terminal A
Ik zoek vertekhal A
Posso avere una coperta?
Mag ik een deken?
A che ora atterriamo?
Hoe laat landen we?
Il terminal B è per i voli internazionali
Vertrekhal B is voor internationaale vluchten