Vocabulary lesson Flashcards Matching game Tic-tac-toe Concentration game Listening game

Dutch :: Lesson 93 Health: Sick

Vocabulary

I need to see a doctor
Ik moet een dokter zien
Is the doctor in the office?
Is de docter aanwezig?
I don’t feel well
Ik voel me niet goed
I am sick
Ik ben ziek
I have a stomach ache
Ik heb buikpijn
I have a head ache
Ik heb hoofdpijn
I need to lay down
Ik moet gaan liggen
My throat hurts
Mijn keel doet pijn
I feel nauseous
Ik ben misselijk
I have an allergy
Ik heb een allergie
I have diarrhea
Ik heb diarre
I am dizzy
Ik ben duizelig
I have a migraine
Ik heb een migraine