Vocabulary lesson Flashcards Matching game Tic-tac-toe Concentration game Listening game

Dutch :: Lesson 61 Shopping: A sale

Vocabulary

I am looking for a necklace
Ik zoek een ketting
Are there any sales?
Zijn er uitverkoopjes?
I am going to pay cash
Ik ga contant betalen
Can you hold it for me?
Kunt u het voor me apart leggen?
Do you accept credit cards?
Accepteert u een krediet kaart?
I would like to exchange this
Ik wil dit ruilen
Can I return it?
Kan ik dit terugbrengen?
Open
Open
Closed
Gesloten
Closed for lunch
Gesloten tussen de middag
Receipt
Ontvangst
Defective
Defect
Broken
Gebroken
Exit
Uitgang
Entrance
Ingang
Sales person
Verkoper
What time will the store close?
Hoe laat gaat de winkel dicht?