English Dutch Lesson 47 Vocabulary lesson

Dutch :: Lesson 47. Hotel: Necessities

loading

Vocabulary :: Dutch English

Waar is de lift?
Where is the elevator?
Ik zou graag de leidinggevende spreken
I need to speak with the manager
De douche werkt niet
The shower does not work
De kamer heeft geen dekens
The room does not have any blankets
Kunt u me nog een kussen brengen?
Can you bring me another pillow?
Onze kamer is niet schoongemaakt
Our room has not been cleaned
We hebben handdoeken nodig voor het zwembad
We need towels for the pool
Er is geen warm water
There is no hot water
Ik hou niet van deze kamer
I don't like this room
We hebben een gekoelde kamer nodig
We need an air-conditioned room
Ik heb geen reservering
I do not have a reservation