Vocabulary lesson Flashcards Matching game Tic-tac-toe Concentration game Listening game

Dutch :: Lesson 29 Weather and seasons

Vocabulary

How is the weather?
Hoe is het weer?
It is hot
Het is heet
It is cold
Het is koud
It is sunny
Het is zonnig
It is cloudy
Het is bewolkt
It is humid
Het is vochtig
It is raining
Het regent
It is snowing
Het sneeuwt
It is windy
Het waait
It is nasty
Het is onguur
What is the temperature?
Wat is de temperatuur?
It is 75 degrees
Het is 75 graden
Seasons
Seizoenen
Winter
Winter
Summer
Zomer
Spring
Lente
Fall
Herfst