English Dutch Basic phrases Vocabulary lesson

Dutch :: Basic phrases

loading

Vocabulary :: Dutch English

Spreekt u Engels?
Do you speak English?
Spreekt u Nederlands?
Do you speak Dutch?
Ik spreek een beetje Nederlands
I speak a little Dutch
Ik spreek een heel klein beetje Nederlands
I only speak very little Dutch
Spreek langzamer, alstublieft
Please speak more slowly
Kunt u dat herhalen alstublieft?
Could you please repeat that?
Ik begrijp het niet
I don't understand
Ik weet het niet
I don't know
Graag gedaan
You're welcome
Hartelijk bedankt
Thank you very much
Hoe gaat het?
How are you?
Wat is uw naam?
What's your name? (formal)
Wat is jouw naam?
What's your name? (informal)
Aangenaam (kennis te maken)
Nice to meet you.
Ik heb honger
I'm hungry
Ik heb dorst
I'm thirsty.
Wat vreemd!
How funny / odd!
Wees voorzichtig!
Be careful!
Veel succes!
Good luck!
Veel plezier!
Have fun!
Proost!
Cheers!
Eet smakelijk!
Bon appetit
Dat is geweldig!
That is great
Dat is vreselijk!
That is terrible!
Tot ziens
Goodbye